Pepelen
← Нидерландский: A1 → A2

A2

Урок 3. Er staat een fiets voor de deur: er с неопределённым подлежащим

Смогу рассказать, что где есть в доме, — Er staat een wasmachine in de keuken, — и спросить, есть ли что-то: Ligt er post?

1 / 14

Что где есть: er

er + глагол + кто или что

Когда сообщают что-то новое — что где есть, кто пришёл, — предложение начинают с er: Er staat een plant bij het raam. Er komt iemand. Так мы уже говорили er is / er zijn; так же работают liggen, staan, zitten, hangen, komen, wonen. Er не переводится. Порядок: er + глагол + кто или что + где. Подлежащее — новое: een, geen, iemand, iets, niemand, число или множественное число без артикля. Глагол — по подлежащему: Er ligt een boek op tafel, er liggen drie boeken op tafel. Вопрос: глагол первым или за вопросительным словом, er — сразу за ними: Is er een supermarkt in de buurt? Wat ligt er op tafel? С определённым подлежащим — de, het, mijn, имя — er не нужен: De plant staat bij het raam. Een fiets staat voor de deur — так тоже можно, но сообщить новое нейтрально — Er staat een fiets voor de deur. Так неправильно: • NOT «Er staat de wasmachine in de kelder» — правильно De wasmachine staat in de kelder. • NOT «Het hangt een klok in de keuken» — правильно Er hangt een klok in de keuken. • NOT «Er staat twee stoelen in de tuin» — правильно Er staan twee stoelen in de tuin. • NOT «Er hangt niet een klok in de keuken» — правильно Er hangt geen klok in de keuken.
Er о новом

Нижняя строка: подлежащее определённое — er не нужен.

НачалоГлаголКто или что (новое)Где
Erstaateen plantbij het raam
Erliggendrie boekenop tafel
Erkomtiemand—
De plantstaat—bij het raam
Конспект урока
er + глагол + кто или что
Когда сообщают что-то новое — что где есть, кто пришёл, — предложение начинают с er: Er staat een plant bij het raam. Er komt iemand. Так мы уже говорили er is / er zijn; так же работают liggen, staan, zitten, hangen, komen, wonen. Er не переводится. Порядок: er + глагол + кто или что + где. Подлежащее — новое: een, geen, iemand, iets, niemand, число или множественное число без артикля. Глагол — по подлежащему: Er ligt een boek op tafel, er liggen drie boeken op tafel. Вопрос: глагол первым или за вопросительным словом, er — сразу за ними: Is er een supermarkt in de buurt? Wat ligt er op tafel? С определённым подлежащим — de, het, mijn, имя — er не нужен: De plant staat bij het raam. Een fiets staat voor de deur — так тоже можно, но сообщить новое нейтрально — Er staat een fiets voor de deur. Так неправильно: • NOT «Er staat de wasmachine in de kelder» — правильно De wasmachine staat in de kelder. • NOT «Het hangt een klok in de keuken» — правильно Er hangt een klok in de keuken. • NOT «Er staat twee stoelen in de tuin» — правильно Er staan twee stoelen in de tuin. • NOT «Er hangt niet een klok in de keuken» — правильно Er hangt geen klok in de keuken.