Смогу рассказать, что где есть в доме, — Er staat een wasmachine in de keuken, — и спросить, есть ли что-то: Ligt er post?
Что где есть: er
er + глагол + кто или что
Когда сообщают что-то новое — что где есть, кто пришёл, — предложение начинают с er: Er staat een plant bij het raam. Er komt iemand. Так мы уже говорили er is / er zijn; так же работают liggen, staan, zitten, hangen, komen, wonen. Er не переводится.
Порядок: er + глагол + кто или что + где. Подлежащее — новое: een, geen, iemand, iets, niemand, число или множественное число без артикля. Глагол — по подлежащему: Er ligt een boek op tafel, er liggen drie boeken op tafel. Вопрос: глагол первым или за вопросительным словом, er — сразу за ними: Is er een supermarkt in de buurt? Wat ligt er op tafel?
С определённым подлежащим — de, het, mijn, имя — er не нужен: De plant staat bij het raam. Een fiets staat voor de deur — так тоже можно, но сообщить новое нейтрально — Er staat een fiets voor de deur.
Так неправильно:
• NOT «Er staat de wasmachine in de kelder» — правильно De wasmachine staat in de kelder.
• NOT «Het hangt een klok in de keuken» — правильно Er hangt een klok in de keuken.
• NOT «Er staat twee stoelen in de tuin» — правильно Er staan twee stoelen in de tuin.
• NOT «Er hangt niet een klok in de keuken» — правильно Er hangt geen klok in de keuken.
Er о новом
Нижняя строка: подлежащее определённое — er не нужен.
| Начало | Глагол | Кто или что (новое) | Где |
|---|---|---|---|
| Er | staat | een plant | bij het raam |
| Er | liggen | drie boeken | op tafel |
| Er | komt | iemand | — |
| De plant | staat | — | bij het raam |
Конспект урока
er + глагол + кто или что
Когда сообщают что-то новое — что где есть, кто пришёл, — предложение начинают с er: Er staat een plant bij het raam. Er komt iemand. Так мы уже говорили er is / er zijn; так же работают liggen, staan, zitten, hangen, komen, wonen. Er не переводится.
Порядок: er + глагол + кто или что + где. Подлежащее — новое: een, geen, iemand, iets, niemand, число или множественное число без артикля. Глагол — по подлежащему: Er ligt een boek op tafel, er liggen drie boeken op tafel. Вопрос: глагол первым или за вопросительным словом, er — сразу за ними: Is er een supermarkt in de buurt? Wat ligt er op tafel?
С определённым подлежащим — de, het, mijn, имя — er не нужен: De plant staat bij het raam. Een fiets staat voor de deur — так тоже можно, но сообщить новое нейтрально — Er staat een fiets voor de deur.
Так неправильно:
• NOT «Er staat de wasmachine in de kelder» — правильно De wasmachine staat in de kelder.
• NOT «Het hangt een klok in de keuken» — правильно Er hangt een klok in de keuken.
• NOT «Er staat twee stoelen in de tuin» — правильно Er staan twee stoelen in de tuin.
• NOT «Er hangt niet een klok in de keuken» — правильно Er hangt geen klok in de keuken.