Pepelen
← Dutch from zero to A1

A1

Lesson 3. Ik ben gegaan: irregular past participles and the perfectum with zijn

I can say where I went, where I was, and what I ate, drank, and read: Ik ben naar Leiden gegaan, Ik heb een boek gelezen.

1 / 16

Ik ben gegaan: other past participles, and zijn

Ik ben gegaan: other past participles, and zijn

You know hebben + ge-…-t or -d. Many common verbs have a different past participle: it ends in -en and often changes the vowel, as English drink — drunk does. Learn these past participles in groups: the table has five. The auxiliary (the helping verb: hebben or zijn) is zijn instead of hebben when someone moves to a place or changes: Ik ben naar Leiden gegaan. Femke is ziek geworden. English uses “have” for every verb; Dutch doesn't. The verbs blijven and zijn itself take zijn too: Wij zijn in Gent gebleven. The other verbs of the lesson take hebben. The verb beginnen takes zijn too: De film is begonnen. The past participle of vergeten is the same as the infinitive, vergeten, with no ge-: ver- is unstressed. Its auxiliary can be ben or heb: both are standard. In a separable irregular verb ge- goes inside, all one word: opstaan → opgestaan, terugkomen → teruggekomen (the two g's are where the parts meet). The auxiliary follows the same rule: Ik ben opgestaan, but Ik heb afgesproken. Common mistakes: • NOT “Ik heb gegaan” — movement: Ik ben gegaan. • NOT “gelest”, NOT “gezwemd” — gelezen, gezwommen. • NOT “Ik ben gegeten” — Ik heb gegeten. • NOT “Ik ben opstaan” — Ik ben opgestaan.
Irregular past participles: five groups

The past participles of groups 1–4 end in -en; group 5 has special forms, learned by heart.

GroupInfinitivePast participle
1 · the vowel doesn't changeetengegeten
1lezengelezen
1slapengeslapen
1lopengelopen
1komengekomen
1vergetenvergetenno ge-: ver- is unstressed
1ziengezien
2 · ij → eschrijvengeschreven
2rijdengereden
2blijvengebleven
2krijgengekregen
3 · i → odrinkengedronken
3beginnenbegonnenno ge-: be- is unstressed
4 · e → osprekengesproken
4nemengenomen
4zwemmengezwommen
5 · special formszijngeweest
5hebbengehad
5gaangegaan
5doengedaan
5kopengekocht
Perfectum with zijn

zijn is for movement to a place, a change of state, blijven, and zijn itself. All other verbs take hebben.

SubjectzijnPast participleWhen
ikbengegaanmovement: gaan
jij / jebentgekomenmovement: komen
ubentgeblevenstaying: blijven
hij / zij (she) / hetisgeweestzijn itself
wij / wezijnbegonnena beginning: beginnen
julliezijngewordena change of state: worden
zij (they)zijnopgestaana change of position: opstaan (ge- inside)
Lesson notes
Ik ben gegaan: other past participles, and zijn
You know hebben + ge-…-t or -d. Many common verbs have a different past participle: it ends in -en and often changes the vowel, as English drink — drunk does. Learn these past participles in groups: the table has five. The auxiliary (the helping verb: hebben or zijn) is zijn instead of hebben when someone moves to a place or changes: Ik ben naar Leiden gegaan. Femke is ziek geworden. English uses “have” for every verb; Dutch doesn't. The verbs blijven and zijn itself take zijn too: Wij zijn in Gent gebleven. The other verbs of the lesson take hebben. The verb beginnen takes zijn too: De film is begonnen. The past participle of vergeten is the same as the infinitive, vergeten, with no ge-: ver- is unstressed. Its auxiliary can be ben or heb: both are standard. In a separable irregular verb ge- goes inside, all one word: opstaan → opgestaan, terugkomen → teruggekomen (the two g's are where the parts meet). The auxiliary follows the same rule: Ik ben opgestaan, but Ik heb afgesproken. Common mistakes: • NOT “Ik heb gegaan” — movement: Ik ben gegaan. • NOT “gelest”, NOT “gezwemd” — gelezen, gezwommen. • NOT “Ik ben gegeten” — Ik heb gegeten. • NOT “Ik ben opstaan” — Ik ben opgestaan.